Soorten handtrommels en hun gemeenschappelijke kenmerken
Handtrommels vormen een brede groep trommels die hoofdzakelijk met blote handen worden bespeeld in plaats van met stokken of mallets. Ze komen over de hele wereld voor en iedere muziekcultuur kent eigen vormen, klanken en tradities.
Er wordt onderscheid gemaakt tussen trommels die met één hand worden vastgehouden en instrumenten die op de grond staan of voor het lichaam hangen en met twee handen worden bespeeld. Een eenvoudige vorm is de raamtrommel: een rond frame dat meestal aan één zijde met een vel is bespannen.
Gemeenschappelijke kenmerken van handtrommels
Handtrommels worden al eeuwenlang gebruikt in muziek uit vele culturen. Vorm, formaat, materiaal en klank verschillen per regio en ze spelen een rol in uiteenlopende genres.
Het belangrijkste gedeelde kenmerk is de directe aanraking met de handen. Met centrum-, rand-, vinger- en gedempte slagen kan de speler verschillende tonen en dynamiek maken. Veel handtrommels dragen een sterke lokale traditie, vooral in Afrika, Azië, het Midden-Oosten en Zuid-Amerika. Ze begeleiden feesten, ceremonies, dans en samenzang en werden soms ook gebruikt om signalen over te brengen. Andere melodische en ritmische instrumenten kunnen ermee samenspelen.
Hoe werkt een handtrommel?
De speler slaat een gespannen membraan, het vel, aan. Plaats, handvorm en kracht van de slag bepalen toonhoogte, attack en resonantie. Bekende voorbeelden zijn bongo's, conga's, djembés, darbuka's, raamtrommels en tamboerijnen.
Handdrummen is in de eerste plaats een speelwijze en niet één strikt afgebakende instrumentcategorie. In principe kan iedere geschikte trommel met de handen worden bespeeld. De term handtrommel wordt soms ook specifiek voor een draagbare raamtrommel gebruikt. Sommige modellen hebben voldoende projectie om als solo-instrument boven een groot percussie-ensemble uit te komen.

Verschillende typen handtrommels
Handtrommels worden vaak naar hun vorm ingedeeld. De raamtrommel is een eenvoudige categorie; voorbeelden zijn de Ierse bodhrán en verschillende tamboerijnen en raamtrommels uit West-Azië.
Een tamboerijn bestaat uit een frame van meestal hout of kunststof met paren kleine metalen schellen. Sommige modellen hebben ook een vel. Door de schellen heeft hij een andere klankopbouw dan veel andere handtrommels.
Een andere belangrijke vorm is de bekertrommel. Een bekend voorbeeld is de djembé, een eenvellige West-Afrikaanse trommel.

De djembé, of jembe, komt uit West-Afrika en is een met touwen gespannen bekertrommel met een vel, traditioneel van dierenhuid, die met blote handen wordt bespeeld. Volgens een bekende verklaring uit Mali is de naam verbonden met de uitspraak ‘Anke djé, anke bé’: iedereen komt in vrede samen.
Tot de cilindrische trommels behoren conga's en bongo's, die centraal staan in Afro-Cubaanse muziek. In Afro-Braziliaanse tradities is de atabaque een belangrijk lang, licht taps toelopend instrument.
De atabaque is een lange houten Afro-Braziliaanse handtrommel. Traditioneel heeft hij een dierenvel. Bij een atabaque de corda verbindt een touwspanning het vel met een metalen ring nabij de voet. Houten wiggen tussen ring en corpus kunnen worden aangeslagen om de touwen strakker of losser te maken en zo de toonhoogte te veranderen.

Een ander type is de darbuka , een bekertrommel die vooral in het Midden-Oosten, Noord-Afrika en de Balkan wordt gebruikt. De twee basisklanken van de darbuka heten doorgaans dum en tek. Dum, in het midden van het vel, vormt de diepe ritmische basis; tek, dichter bij de rand, levert een heldere toon voor patronen, versieringen en improvisatie. De darbuka klinkt veel op bruiloften, feesten en dansvoorstellingen.
Misschien ook interessant: Raamtrommels uit verschillende culturen: overzicht met afbeeldingen

Laat een reactie achter